Historie: Brand op Mariëncamp

Door: Andries Visser, RHG

Aanleiding
Ik zit op een rustige avond te bladeren in een plakboek van mijn schoonvader Jan de Jonge, voormalig postkantoorhouder te Vlagtwedde. Ik heb het te leen. De knipsels gaan over het ‘plan Kikkert’. De Jonge was fractievoorzitter van het CDA in de toenmalige gemeente Vlagtwedde en hij maakte dit alles mee. Het plan van het Kamerlid H. Kikkert was om een uitgestrekt militair oefenterrein aan te leggen bij Ter Apel en maakte aan het begin van de jaren zeventig veel emoties los: ‘Geen geschiet in dit gebied!’ Af en toe mondden de demonstraties uit in rellen waar de ME aan te pas moest komen. In de gemeenteraad kwam het zelfs tot een handgemeen. Landelijke politici als Relus ter Beek, later nog minister van Defensie (sic!), kwamen langs te Sellingen om de boel te sussen. Zonder enig resultaat. Komt bekend voor. Gedoe over oefenterreinen, gedoe bij Ter Apel, verplichte bezoekjes van Haagse bewindslieden aan de regio, zonder enig resultaat. ‘De geschiedenis herhaalt zich’

Maar daar gaat het hier niet over. Want ergens rechtsonder op een voorblad van het Nieuwsblad van het Noorden (februari 1971) valt mij de volgende kop op: ‘Kamervragen over dodelijke brand te Rolde.’ En daar heb ik, in 1990 pas gevestigd te Rolde, nog nooit iets over gehoord. Naspeuringen in de jaargangen van de Kloetschup brengen mij niet verder dan een kleine bijdrage van ons erelid Wim Houtman over de ontwikkeling van de lokale brandweer met een terloopse vermelding van een flinke brand te Mariëncamp. Dus we duiken maar eens het rijke archief van ons Gezelschap in. En vragen Roldenaren om informatie.

De brand in 1971
Sinds 1964 ontfermen de broeders van de Heilige Joseph uit Limburg in Nooitgedacht zich aldaar over geestelijk gehandicapten. Alleen over jongens en mannen. De meisjes en vrouwelijke gehandicapten werden in Drachten ondergebracht onder de zorg van nonnen. Gaandeweg groeit deze opvang uit tot een Stichting (toentertijd Maartenswouden, later De Trans) met de verpleeginrichting Huize Mariëncamp. In 1971 wonen er 201 gehandicapten in semipermanente houten gebouwen op het terrein. De aanvraag voor permanente stenen gebouwen is in afwachting van goedkeuring van het ministerie om de opvang fors te vergroten naar 500 personen. De realisatie daarvan is op dinsdag 2 februari 1971 nog ver weg. In Den Haag heeft men geen haast.

Op die dag, tegen 22.20 uur, breekt brand uit in een vrijstaand houten (nood)paviljoen op het terrein van Mariëncamp. In het betreffende paviljoen slapen 47 gehandicapte bewoners, die niet zelfredzaam zijn. Personeel en brandweer slagen erin 34 bewoners uit het fel brandende gebouw te halen. 13 gehandicapten kunnen niet gered worden en komen om het leven. In twee uur tijd is alles afgebrand, een belendend perceel kan ternauwernood worden gered door het nat te houden. Het afgebrande gebouw met drie afdelingen bestaat uit prefab-elementen, in een houten raamwerk, dat aan de buitenzijde is bekleed met asbestcementplaten (!) en aan de binnenzijde met gipsplaten. De elementen zijn opgevuld met polystyreenschuim.

De brand, die waarschijnlijk in een centraal deel ontstaat, kan zich snel uitbreiden via de ruimte tussen het zachtboard plafond en de dakbedekking. Het polystyreenschuim zorgt voor een hevige en verstikkende rookontwikkeling. De deuren in de gangen en naar het trappenhuis waren niet brandwerend en niet zelfsluitend uitgevoerd. De nooddeuren waren afgesloten en alleen met behulp van een loper te openen.

De oorzaak van de brand wordt onderzocht. Roken was in de avond altijd verboden.
Wellicht was er een defecte voorziening met kortsluiting. De verwoesting is echter te groot om het te kunnen achterhalen. Politie, justitie en brandweer komen er niet achter.

Redders, een kwestie van doen!
Dat er nog 43 niet zelfredzame bewoners de felle brand overleven is vooral ook te danken door moedig optreden van verpleegkundigen en brandweermannen. Verpleegster Alie Werkman, toen 18 jaar, was een van de eersten die probeerde te redden wat er te redden viel. ‘Voor dat we het beseften stond alles in brand’. Het ging allemaal zo snel. Met betraande ogen vertelt de Veendamse haar verhaal aan een journalist. ‘Nachtwaker Santing ontdekte de brand en sloeg alarm. Er was geen tijd om na te denken en geen tijd om in paniek te raken.’ Drie verpleegsters, waaronder Alie, trotseren als eerste de vlammenzee en brengen vele bewoners in veiligheid. Meer hulp van personeel komt daarna snel op gang.

De getroffen bewoners krijgen op het grasveld en in gebouwen eerste hulp van het personeel en worden daarna met ambulances en personenauto’s naar ‘kampeerinstelling’ De Berenkuil vervoerd, daar vinden ze vooreerst onderdak. Tientallen inwoners van Grolloo helpen mee om de ledikanten te monteren en bedden op te maken. De ongeruste ouders van de bewoners van het paviljoen worden ook op het terrein ontvangen. Er is een maatschappelijk werker om ze bij te staan. Sommigen krijgen in de loop van de volgende dag een triest bericht. Het identificeren van de slachtoffers kost een etmaal. Roldenaar Jaap Dekker, werkzaam bij de Stichting als hoofd van de economische en administratieve dienst van 1969 tot 2002, herinnert zich nog het verdriet van de ouders. ‘Bestaande bewoners waren al ondergebracht in stenen gebouwen, in de noodgebouwen zaten nieuwe bewoners, vaak jongens die tot voor kort nog thuis woonden en de zorg kregen van de ouders zelf. Je kunt je voorstellen hoe dat was: net je kinderen toch maar het huis uit laten gaan en ondergebracht in Mariëncamp en dan dit.’ Jaap vond het hartverscheurend.

De bedrijfsbrandweer en de vrijwillige brandweer van Rolde zijn snel ter plaatse, later komt ook de Brandweer van Assen helpen. Uitgebreid wordt in de pers verslag gedaan van de heldenmoed van een der Rolder brandweermannen: Hermannus Dekker. Hermannus, hiernaast in tenue, had samen met zijn broer Jans een schildersbedrijf aan de Hunebedweg (Tichelhoes). Hij redde vier jonge bewoners uit een slaapkamer. Een journalist van de Drentse en Asser Courant zocht hem op. ‘Ik heb geen vuur gezien, meneer’, aldus Hermannus, ‘Ik heb alleen maar gedaan wat ik kon doen. Ik kan me er ook vrijwel niets meer van herinneren. Alleen dat het verschrikkelijk was’.

Als Hermannus naar binnen gaat is er iemand van het personeel in het pand die tegen hem in paniek roept: ‘Daarachter, daarachter…’ Hij wijst naar een deur. ‘Daar ben ik heengegaan, de deur was los en ik ging naar binnen. Het was een slaapkamer en de kinderen lagen er nog, terwijl de rook al binnen was’. Hij redt drie kinderen, samen met een personeelslid van Mariëncamp. ‘Maar ik wist dat er nog een jongen was achtergebleven en toen ben ik nog een keer gegaan’.

Er is dan al vuur in de kamer. ‘Maar ik heb het niet gezien, je bent dan niet normaal meer, want ik wilde hem redden’. De kinderen worden in het gras gelegd. Hermannus vertelt ook dat het later pas tot hem doordrong wat hij had gedaan. Zijn nazaten bevestigen zijn verhaal en ook dat hij er zijn leven lang nog mee worstelde. Hij praatte er liever niet meer over. En nazorg was toentertijd niet gewoon.

Brandweercommandant De Willigen bevestigt de moed van Hermannus. ‘Ik wist dat er nog iemand lag en ik liet het toe. Maar het is gevaarlijk, het lopen door 25 meter zware rookontwikkeling kun je vergelijken met 2,5 kilometer lopen. Soms moet je dan besluiten niet meer te gaan.’ De Willigen wil niet weten van een onvoldoende beveiliging in het pand. En is na een evaluatie erg tevreden met de inzet van de brandweer.

Lessen geleerd?
De brand doet landelijk veel stof op waaien, in de psychiatrische inrichting Wagenborgen in Groningen waren in oktober 1970 al 16 bewoners door een brand overleden. En nu dit, in Rolde. Drie maanden later. Na deze branden liggen de opvanghuizen van psychiatrische en verstandelijk gehandicapten ineens onder een vergrootglas. De vraag is of de huisvesting, vaak door geldgebrek in houten noodgebouwen, wel aan te stellen eisen voldoet.

De geneesheer-directeur De Valk moet in een persconferentie antwoord geven op kritische vragen van de pers. Hij verdedigt de noodopvang met verwijzing naar de bredere problematiek van de ‘zwakzinnigenzorg’ in die tijd. ‘In Noord-Nederland zijn drie tot vierduizend bedden nodig, het zijn er dertienhonderd. Je bent al blij dat je een noodgebouw hebt’. De suggestie vanuit de zaal dat die gebouwen niet geschikt zouden zijn voor deze zorg wijst hij af.

Op de vraag waarom er geen alarmsysteem was in Huize Mariëncamp had hij een opmerkelijk antwoord: ‘Wat wil men, wat denkt men wel feitelijk? Het zijn geen gewone mensen die wij hier proberen te helpen, het zijn geestelijk gehandicapten [..] Zij zouden een knop zo in de gaten krijgen en bij herhaling de boel alarmeren.’ Ook andere bestuursleden van de Stichting betreuren de gang van zaken maar de schuldvraag blijft geheel buiten beeld. Het valt op dat de verantwoordelijke autoriteiten, zoals ook de brandweerinspectie, de gemeente en het ministerie zich er wel wat makkelijk van afmaken. De landelijk inspecteur van de geestelijke volksgezondheid, de heer Veerman, stelt: ‘Niemand treft schuld’.

Hier denkt de Rijksinspecteur van het Brandweerwezen in Groningen, de heer Wijnants wel wat anders over: ‘’t Wordt te gek’ laat hij in de krant van 4 februari 1971 optekenen. ‘Als het om een tijdelijke behuizing gaat, wint de economie het altijd van de brandveiligheid’. Hij ziet ook enkele paralellen met de brand in Wagenborgen. Maar dat verouderde paviljoen was dan nog van steen zodat er veel meer tijd was en meer bewoners konden worden gered. In Rolde was die tijd er nauwelijks door de prefab-elementen.

Bluswerkzaamheden

Toch gebeurt er iets. Het besef dat dit niet langer zo kan dringt door. Kamervragen worden gesteld, bestuurders uit de regio reizen af naar Den Haag en zetten het ministerie en inspectie onder druk sneller en meer te investeren in huisvesting voor gehandicapten: meer vaste plaatsen en veilige stenen gebouwen. En dat wordt nu snel in gang gezet. Een van de bestuurders maakt in een overleg de ongemakkelijke opmerking ‘Door de brand, uit de brand’. Iets wat hem door ouders en personeel terecht kwalijk wordt genomen.

In maart 1971 wordt een aanvang gemaakt met de bouw van nieuwe stenen paviljoens. Opmerkelijk: precies drie jaar later in februari 1974 breekt er weer brand uit op Mariëncamp. In een therapieruimte. Nu is er wel een alarmsysteem. Er is alleen schade.

Besluit
De brand van 1971 in Rolde haalt alle kranten. Regionaal en ook de landelijke kranten maken er melding van; van Telegraaf tot Het Vrije Volk. De publiciteit doet veel, commentaren in kranten lijken stevig. De pers stelt lastige vragen maar het ‘ontzag voor gezag’ klinkt ook wel door in de publicaties. Er wordt zelden echt doorgevraagd. Het is zeer de vraag of de verantwoordelijke autoriteiten er in de tegenwoordige tijd bij dergelijke rampen (want dat zijn het) als in Wagenborgen en Rolde in de media zo makkelijk mee wegkomen. Ik denk het niet.

Wat overeind blijft is de alom grote waardering voor het personeel en de bandweerlieden die niet aarzelden maar ingrepen en er is waardering voor alle andere hulpverleners en burgers die de slachtoffers bijstonden.

Voor 13 slachtoffers kwam de hulp helaas te laat.

Foto’s Drentse en Asser Courant, 1971

Dit artikel is eerder verschenen in De Kloetschup, kwartaalmagazine van het Rolder Historisch Gezelschap.

Word ook lid!
Wil je meer weten over de historie van de oude gemeente Rolde en ook elk kwartaal de Kloetschup in de brievenbus ontvangen? Wordt dan lid van het RHG via dit formulier. Uiteraard vind je op RHG-Rolde.nl een heleboel informatie en vergeet ook zeker de Beeldbank niet.

Bericht delen via...:

WhatsApp
Facebook
LinkedIn
X
Email

Heb je een nieuwsitem of aanvulling op bovenstaande?
Laat het gerust weten in een mail naar de redactie!

Agenda voor komende week